L’oro di Goro

Goro is een klein plaatsje aan de Adriatische kust op nog geen 100 kilometer ten zuiden van Venetië. Net buiten de haven van het kleine stadje ligt de grootste kweekbank van vongole in Europa.
Azzurro magazine mocht mee op vongole vangst.

Zeven uur ‘s ochtends, nog donker en heel erg koud. De thermometer geeft -3 aan. In de haven is het druk, het geluid van kettingen, katrollen en dieselmotoren doorbreekt de ochtendstilte. De opkomende zon legt een gouden gloed over de lagune van Goro. Tientallen vissersbootjes varen ronkend de haven uit.

Net buiten haven gaan de vissers voor anker. Hoewel de zon inmiddels hoger staat blijft de temperatuur net boven het vriespunt steken. Het zeewater in de boot maakt het extra koud. Elk schip ligt in een door stokken afgezet vierkant stukje zee, de kweekbank. De netten gaan overboord.
Na nog geen tien minuten trekt de visser zijn netten bol van de vongole terug. De schelpdieren ratelen in de plastic bak op het dek. Het uitzoeken kan beginnen. Gebogen over de schuddende sorteermachine worden de beste vongole uitgezocht en in zakken gedaan.

Eenmaal terug op de kade worden alle zakken gewogen en naar een distributie centrum gebracht. De reis naar tafels in Italië en daarbuiten kan beginnen.

 

 

Een avondje Italiaanse Rotary

“Reinout, goedenavond”, vrolijk word ik door één van de gastvrouwen tweemaal op de wangen gekust. Ze scant direct mijn gloednieuwe pak. Een ruiten pak, met een mooi gestreept overhemd eronder. De afkeurende blik op haar gezicht verraadt dat ik me niet ‘gepast’ heb gekleed: Italianen dragen over het algemeen zwart als ze een feestje hebben. Ik doe dat alleen naar begrafenissen. “Er komen nog andere, belangrijkere gasten”.

Voor mijn werk geef ik regelmatig presentaties en lezingen over Interculturele Communicatie en Internationalisering. Het belang van samenwerken, krachten te bundelen en co-culturen te creëren wordt steeds groter: samen weten we nou eenmaal meer dan alleen. Maar naast die bestaande werkzaamheden ben ik eveneens Ambassadeur van een Nederlands Goede doelenfonds en daarover mocht ik dan weer vertellen bij de Florentijnse Rotary, in hun hoofdkwartier in het Palazzo Borghese.

Ik bestijg de met een roodfluwelen tapijt bedekte marmeren trappen en via een zware glazen deur kom ik in de lobby waar een jongeman in iets te strakke kleren mijn jas aanneemt. “U mag doorlopen naar de centrale zaal, waar het diner plaatsvindt”. Enigszins ongemakkelijk schuifel ik door. “In wat voor kermis ben ik nou weer terecht komen?”, mompel ik voor me uit. In de zaal staan zo’n 50 strak geklede Italianen druk te praten. Overal ronde tafels, kroonluchters en prachtige kunst aan de muur en dito fresco’s op het plafond. Toch wel kicken. Op het moment dat ik de verleiding niet kan weerstaan en mijn telefoon pak om een foto te maken, komt er een meneer op me afgelopen. “U bent nieuw?”, vraagt hij, terwijl hij fronsend naar mijn pak kijkt. “Ik kom een presentatie geven”, leg ik hem uit. Zijn ogen worden groot “Ú? Maar u bent zo jong!”. Ik zucht en vraag, zonder op zijn opmerking in te gaan, waar de President is.

Hij wijst naar een zwaarlijvige, wat oudere man met een grote ketting om zijn nek. “Daar moet u wezen.” En zodra ik me omdraai, begint het gefluister achter me. “Hij een presentatie? Maar hij is jong”, zegt de man die me aansprak. “Ja”, zegt zijn collega, een klein gedrongen type in een te groot pak. “Dat kan niet veel zijn. Moeten we dat wel serieus nemen? Zoveel ervaring zal er niet inzitten”. Ik zucht nogmaals en loop naar de President. “Dottore”, hij buigt licht als hij mij een hand geeft. “U zult vanavond welkom zijn”.

Als ik aan tafel wil plaatsnemen, snelt een jongen naar me toe, “deze tafel is bezet”, zegt hij vermanend, “u moet aan een andere gaan zitten”. Enigszins geïrriteerd sta ik op, loop naar een andere tafel, plof neer en laat me een glas wijn inschenken.

Net als ik goed en wel zit, om me heen kijkend wat er aan mensen rondloopt, storten er drie vaandels uit de muur en moet iedereen gaan staan. “Wij groeten het vaandel en luisteren naar het volkslied”, zegt de President. De andere genodigden om me heen knikken als de eerste klanken van het Fratelli d’Italia door de zaal schallen. Ik tracht mee te zingen (ja, ken ik een keer een Italiaans nummer uit mijn hoofd), en om me heen kijken mensen me afkeurend aan. “Dat was dus niet de bedoeling”, mompel ik en schiet in de lach van mijn eigen klungeligheid.

Dan ineens staat mijn presentatie op het scherm en wordt er gevraagd of “Rhienaut Bosjman” naar voren wil komen. Ik sta op, fatsoeneer mijn colbert en loop naar het katheder. De zaal schrikt: “dat is de spreker van vanavond!”, murmelt er door de zaal. “Heeft iemand hem op een fatsoenlijke manier welkom geheten?”.

De President geeft me de microfoon en ik begin mijn verhaal. In rap Italiaans. Pratend over welzijn, over kinderen, over verantwoordelijkheid, inspiratie en samenwerking. Over wat we kunnen betekenen voor elkaar.

Tot mijn verbazing is de zaal muisstil en zelfs de telefoons blijven op tafel liggen. Een bijzondere gewaarwording. Als ik mijn verhaal heb afgerond, kijk ik om me heen en zie dat mensen me met grote ogen aankijken. “Volgens mij is de boodschap aangekomen”, denk ik bij mezelf. Ik ontvang een fles wijn en ga weer zitten waar ik zit. Langzaam komt de avond ten einde en als ik naar huis wil gaan, word ik door de President aangesproken. “Dit was indrukwekkend. Veel dank daarvoor. We kunnen een goede Rotarian van u maken”. Ik kan mijn lach bijna niet inhouden en wil vooral weg.

Eenmaal buiten besluit ik een grappaatje te scoren in de stad. Die kan ik wel gebruiken. Ik doe de oortjes van mijn Iphone in mijn oren en zet random de muziek aan. Ik hoor Sting die zingt “I am an alien, I am a legal alien…” en moet onbedaarlijk hard lachen.

Reinout en de Rotary. Het is even wennen.

Een flesje zuur en twee verwoeste levens

Als ze de trap af komt in haar ouderlijke huis, is mijn eerste reactie schok. Van het prachtige meisje dat ooit een finaleplaats in Miss Italia veroverde en modellenwerk deed, is niet veel meer over. Haar gezicht gaat schuil achter een vleeskleurig masker, alleen haar mond, haar, gehavende, neus en rechteroog zijn zichtbaar. Het linker wordt afgedekt door een wit ooglapje. ‘Gessica’, ze geeft me een tengere hand. Vier maanden geleden spoot haar ex een flesje zuur leeg in haar gezicht.

‘Ik stapte uit de auto en zag ineens een man oprijzen vanachter de achterklep. Ik voelde het plastic van het flesje op mijn huid drukken. Daarna alleen nog mijn huid die brandde. Ik wist gelijk wat er aan de hand was.’ Eén bruin oog kijkt me indringend aan. We zitten aan de keukentafel in haar ouderlijk huis, aan tafel zitten ook Gessica’s moeder en manager, maar die lijken niet te bestaan. Aan die tafel zitten alleen Gessica en ik en in het midden hangt Het Verhaal. Ik luister naar Het Verhaal en probeer te begrijpen hoe iemand tot zo’n daad komt. Het lukt niet. ‘In de maanden ervoor was ik bang dat hij mij dit zou aandoen, ik had al bij het dolfinarium waar ik werk, en waar ze zuren gebruiken om de filters schoon te maken, geïnformeerd naar verschillende zuren en wat te doen in geval van een aanval. Maar ik dacht dat hij wat gekalmeerd was, maar niet dus.’

Er volgt een verhaal van acht maanden stalking nadat Gessica de relatie met haar ex na drie jaar verbrak. Hij controleert al haar bewegingen, hij wacht haar elke dag buiten het dolfinarium op,  stuurt haar berichtjes als ze twee minuten later dan gebruikelijk naar buiten komt en slaat zelfs een keer haar collega in elkaar omdat hij denkt dat hij haar nieuwe vriendje is. De aangiftes die zij en haar collega’s doen mogen niet baten, Eddy blijft op vrije voeten. ‘Toen we samen waren heeft hij me nooit met een vinger aangeraakt, maar toen we uit elkaar gingen werd hij gek.’ Zo gek dat hij dus in staat bleek zijn ex voor het leven te verminken. ‘Ik zou graag willen dat hij mij zag, dat hij zou zien wat hij heeft aangericht. Maar hij is een lafaard, dat durft hij niet.’

Na die fatale avond in januari brengt Gessica ruim twee maanden door in een steriele ziekenhuiskamer. ‘Bezoekers konden mij alleen zien via een ruit en met me praten via een intercom. Mijn moeder mocht weleens de kamer in maar dan moest ze steriele ziekenhuis kleding aan. Ik heb er ook twee maanden gevangenis op zitten,’ lacht ze cynisch.

Haar ex zit inmiddels in afwachting van zijn rechtszaak in voorarrest en Gessica zit thuis, ze mag niet in de zon en het is de vraag of haar huid ooit weer het chloorwater in het dolfinarium aankan. ‘Met zijn stomme actie heeft hij mijn leven en het zijne verwoest. Al zal mijn gezicht misschien hersteld kunnen worden, dan nog zal ik de emotionele littekens voor de rest van mijn leven bij me dragen. Nooit meer zal ik zonder angst van de parkeerplaats naar mijn huis kunnen lopen.’

Elk half uur moet Gessica haar ogen druppelen, met het rechter ziet ze inmiddels weer redelijk maar het linker blijft problematisch, en meerdere keren per dag moet ze haar huid insmeren met hydraterende crèmes en voorlopig zal ze het ‘skimasker’ moeten blijven dragen. ‘De eerste acht maanden tot een jaar kan ik niet onder het mes voor herstellende operaties, eerst moet mijn huid tot rust komen. En wanneer dat is kunnen de artsen niet zeggen.’ Ondanks dat Gessica modellen werk deed en zangeres is maakt ze zich niet zo druk om het verlies van haar uiterlijke schoonheid. ‘Ik was altijd al een beetje een jongensachtig meisje, ik was me natuurlijk bewust van mijn uiterlijk, maar het was niet het belangrijkste voor mij. De avond dat het gebeurde heb ik gebeden dat mijn ogen gespaard zouden worden, dat is gebeurd en daar ben ik al heel blij mee.’

Ik kijk haar ongelovig aan, maar in dat ene bruine oog zie ik zoveel overtuiging en kracht, dat ik haar geloof. Hier zit een bijzonder mens.

 

Koen Brack, van publiekslieveling in Leeuwarden naar de kelder van het Italiaanse profvoetbal

‘Ik snap de verleiding tot matchfixing wel’

Het Italiaanse profvoetbal wordt al jaren geplaagd door schandalen, dit voorjaar ontdekte de Italiaanse justitie dat dertig clubs, voornamelijk uit de derde en vierde afdeling, betrokken waren bij matchfixing. ‘Ik keur het niet goed, maar snap het wel,’ zegt Koen Brack, de voormalige verdediger van Cambuur Leeuwarden speelt sinds zes jaar in de Serie D. De verdachte clubs waren tegenstanders van Brack en verdachte spelers collega’s. ‘Veel jongens krijgen soms maandenlang geen salaris en dan kan het verleidelijk zijn om voor 5000 euro in je eigen doel te schieten.’ 

Zondagmiddag half drie in Genzano, een klein stadje op zo’n 35 kilometer ten zuiden van Rome. De plaatselijke trots, Cynthia 1920, speelt tegen Polisportiva Arzachena uit Sardinië, de nieuwe ploeg van Koen Brack. Opgegroeid in Deventer en Go Ahead Eagles was Brack van 2004 tot 2009 centrale verdediger bij Cambuur Leeuwarden in de Jupiler League en nu speelt hij in de Serie D, op klassiek Italiaanse wijze, in een verdedigingsmuur van vier met een hangende middenvelder ervoor.

Brack’s doel zes jaar geleden was spelen in de Serie C, het derde niveau van het Italiaanse profvoetbal, het werd uiteindelijk de Serie D. ‘Ik was al rond met een club in de Serie C,’ vertelt Brack. ‘Maar toen kwam er een nieuwe trainer. Zijn broer was spelersmakelaar en nam een hele zwik van zijn eigen spelers mee. Spelers die nog geen contract getekend hadden, waaronder ik dus, konden vertrekken.’  Welkom in Italië.

Najaar 2015 is Brack aan zijn zesde club toe in Italië, Polisportiva Arzachena is koploper in groep G van de Serie D, de vierde afdeling van het Italiaanse profvoetbal. De competitie is onderverdeeld in negen regionale afdelingen en is behalve het terrein van kleine lokale clubs ook de vergaarbak van vergane glorie. Venezia, Piacenza, oud club van de gebroeders Inzaghi en, na het faillissement eerder dit jaar, Parma spelen in de kelder van het Italiaanse profvoetbal.

De Serie D is een competitie waar de salarissen laag zijn en de contracten kort. Contracten hebben een maximale duur van tien maanden en er geldt een minimum salaris van E7500,– per jaar, de betere spelers verdienen vaak drie tot vier keer zoveel. ‘Twee maanden per jaar ben je werkloos, maar de secundaire arbeidsvoorwaarden zijn goed,’ verzekert Brack. ‘Je krijgt een huis van de club en je eet op de club. Wij hebben een kok die elke dag voor ons kookt, maar er zijn ook clubs waar je elke dag naar een restaurant gaat.’

Nu heeft Brack dan ook geen klagen, de thuisbasis van zijn nieuwe club is de Costa Smeralda, de jetset kust in het noorden van Sardinië. ‘Ik woon gratis in een appartement met uitzicht op zee, na de training ga ik meestal nog even zwemmen.’ Dàt is de reden dat Brack in Italië speelt, de zon schijnt, het eten is lekker, het leven is goed. ‘Ik heb gekozen voor het leven hier en niet zozeer voor het voetbal.’

Polisportiva Arzachena heeft zijn zaken goed op orde, maar dat is lang niet altijd het geval. ‘Wat veel gebeurt is dat clubs met hoge ambities aan het seizoen beginnen maar er na een paar maanden achter komen dat het geld op is of dat de resultaten tegen vallen en dan gaat de stekker eruit.’ Zo ging Sulmona, een club uit centraal Italië waar Brack in  het seizoen 2012-2013 speelde failliet en was bij Fortis Trani, de club uit de hak van de Italiaanse laars waar hij het seizoen daarvoor speelde, in november het geld al op. ‘Ik heb toen het seizoen moeten uitzingen zonder geld, ik zat vast aan een contract waar ik niet onderuit kwam.’

De clubeigenaar probeerde Brack nog wel op andere gedachten te brengen en nodigde hem uit te komen praten in zijn juwelierszaak in het centrum van Trani. ‘Eenmaal binnen viel de deur in het slot en stonden er behalve de voorzitter ook twee gorilla’s in de zaak. Hij wilde dat ik het minimum contract tekende, dan betaalde hij mij 7500 euro en was hij ervan af. Dat weigerde ik, ook omdat ik het contract al naar de bond had gestuurd en niet meer terug kon. Het was wel even zweten in die zaak, maar gelukkig liep het goed af.’

Via de bond heeft de Deventer voetballer nog een zaak aangespannen tegen Fortis Trani, maar de club ging failliet en dus kon hij naar zijn geld fluiten.

Het is een mooie, zonnige, maar koude wintermiddag in Genzano. De ‘tramontana’, de valwind uit de bergen, maakt de middag steenkoud. Kleumend zitten de nog geen tweehonderd toeschouwers op de aftandse tribune. Het beton is rot en de trapleuning verroest. Het veld is een knollentuin waarvoor de terreinknecht van een willekeurige club in de Nederlandse vierde klas onderafdeling zich de ogen uit zijn kop zou schamen. De bal hobbelt over de gaten in het veld, bij elke sliding vliegen grote plaggen in het rond, van goed positiespel kan geen sprake zijn. ‘Dit is niet normaal,’ zegt Koen Brack na afloop. ‘Meestal zijn de velden veel beter.’

De overgang naar Italië was zes jaar geleden groot. In de laatste maanden in Nederland speelde Brack met Cambuur in de finale van de play-offs tegen Roda JC voor 18 duizend toeschouwers, drie maanden later in Italië voor vijftig bejaarden. En toch wil hij niet terug. ‘Ik heb deze keuze bewust gemaakt en ik heb het ook gewoon heel erg naar mijn zin.’ En dat ondanks de beroerde kwaliteit van het veld en het lage spelniveau. De Serie D speelt typisch Italiaans countervoetbal, niets ontziend verdedigen en loeren op dat ene kansje. ‘De technische basis is niet te vergelijken met Nederland, we zijn in Nederland technisch veel beter onderlegd. Hier is het echt bikkelen, daar moest ik in het begin heel erg aan wennen.’ Vooral het gemene spel viel Brack tegen. ‘Je komt veel gemene spelers tegen, in het begin had ik regelmatig mijn gezicht open liggen.’

In het Italiaanse profvoetbal komt een groot deel van de spelers uit het arme Napels, weet Brack, waar opgroeien vaak zwaar  is. Veel armoede en geweld. ‘Voor veel van die jongens is het voetbal de enige uitweg, de enige manier om wat geld te verdienen voor hun familie. Helaas is het op dit niveau vaak zo dat je je geld niet krijgt als je niet wint en dus móet er gewonnen worden.’

Uit in Napels is daarom altijd lastig. Intimidatie binnen en buiten het veld. Toen Brack bij Fortis Trani speelde moest hij regelmatig naar de buurt van Napels. ‘Ik herinner me dat er altijd wat was. Eén keer hadden ze de deuren en de stoelen uit de kleedkamer gehaald zodat de trainer geen voorbespreking kon houden, daar moet ik om lachen.’ Het lachen verging Brack en zijn ploeggenoten echter toen bij een andere wedstrijd de nogal louche voorzitter van de tegenstander de kleedkamer in kwam, de deur op slot deed en hardop zei dat ‘de drie punten in Napels zouden blijven’. De wedstrijd werd niet gewonnen.

In Genzano is de zon inmiddels grotendeels achter de huizen verdwenen, de weinige supporters duiken nog verder in hun jas. Op de perstribune, blauwe houten tafeltjes gemonteerd op een halfvergaan metalen geraamte, zitten twee verslaggevers van de lokale televisie te kleumen op het beton. Een krant moet de ergste kou aan het achterwerk tegenhouden. ‘Koen Brack is een goede verdediger met een mooie lange pass, die kwalitatief boven de rest uitsteekt,’ zegt de commentator voor hij zich weer concentreert op de wedstrijd.

De gasten uit Sardinië staan na bijna een helft ploeteren op het zware veld op een 1-0 voorsprong, een hoge bal viel pardoes binnen. Het spel is niet om aan te zien. ‘Ik heb hier leren houden van lelijke overwinningen,’ lacht Brack. ‘In Nederland moest je altijd mooi spelen, hier is winnen genoeg.’

Winnen is het enige dat telt en dat kan op allerlei manieren, zeker in Italië dat de afgelopen tien jaar drie keer werd opgeschrikt door een omkoopschandaal. De laatste keer dit voorjaar, waarbij dertig teams voornamelijk uit de Serie C en D betrokken waren.  ‘Het komt erg dichtbij,’ geeft Brack toe, hij speelde tegen enkele van de verdachte clubs en tegen bij het schandaal betrokken spelers. Het verbaast hem, na zijn eigen ervaringen, niet. ‘Het komt regelmatig voor dat spelers al na een paar maanden hun salaris niet meer krijgen, omdat de club financiële problemen heeft. Als je een hypotheek hebt en kinderen dan is de verleiding om in te gaan op aanbiedingen van criminelen erg groot. Ik keur het niet goed, maar snap het wel.’ Zes maanden zonder salaris, dan is vijfduizend euro voor een eigen goal erg aanlokkelijk, zelf is hij nooit benaderd. ‘Gelukkig niet, ik zou niet weten wat ik zou moeten doen. Officieel moet je dat aangeven bij de bond, maar dat is niet zo gemakkelijk, het zijn meestal niet zulke brave jongens die je dat soort aanbiedingen doen.’

Volgens de Italiaanse justitie verdienen maffiaorganisaties als de ‘Ndrangheta veel geld met het gokken op wedstrijden en benaderen zij spelers en clubs uit de lagere divisies direct om wedstrijden te manipuleren. Brack vindt het onbegrijpelijk dat je op wedstrijden in de Serie D kan gokken. ‘Als je weet dat er zoveel clubs zijn met financiële problemen en staat toch toe dat er op wedstrijden van die clubs gegokt kan worden, dan vraag je bijna om match-fixing.’

Mopperend verlaten de fans van Cynthia 1920 het stadion in Genzano. ‘Ze kunnen geen vuist maken,’ verzucht voorzitter Giovanni Liberanori. De gasten uit Sardinië winnen met 1 – 0 en blijven koploper in Groep G van de Serie D.

4 jaar Papa Francesco

‘Het gordijntje beweegt!’ De vrouw naast me knapt bijna uit elkaar van ingehouden spanning. Haar ogen zijn strak gericht op het centrum van de wereld: het centrale balkon van de Sint Pietersbasiliek in Rome. Om mij heen tienduizenden gelovigen en nieuwsgierigen uit de hele wereld en achter mij een tribune met tientallen camera’s en honderden journalisten. Dan beweegt het gordijntje achter het balkon opnieuw, een kleine delegatie van kardinalen schrijdt naar de microfoon bij de balkonrand. ‘Habemus Papam’. Het plein juicht.

Het is 13 maart 2013 en het is koud en nat in Rome. Al na vijf stemrondes kwam er witte rook uit het schoorsteentje van de Sixtijnse kapel. Verrassend snel. Net zo het verrassend als het aftreden van Paus Benedictus XVI twee weken daarvoor. Heel Rome trekt naar het St Pietersplein, Romeinen zien de Paus als hùn bisschop, en de chaos rondom het Vaticaan neemt met het uur toe. Ik zit in mediabunker onder de Sala Paolo VI, samen met nog een paar honderd collega’s van over de hele wereld. De spanning stijgt, de Poolse collega achter ons heeft problemen met zijn internetverbinding, de Colombiaanse collega iets verderop doet zeer luidruchtig zijn live bijdrage voor zijn radiostation en wij zijn bezig met montage voor de uitzending van die avond.

Het Sint Pietersplein is tot aan de rand toe gevuld als tegen acht uur het rode gordijntje opzij schuift en de Franse Kardinaal Tauran ‘Habemus Papam!’ in de microfoon roept.

‘Kardinaal Jorge Bergoglio’.

Wie? Journalisten beginnen driftig in hun papieren te zoeken.

‘En hij gaat bij de naam Franciscus.’

Een beminnelijke man stapt naar voren en zegt met zachte stem ‘Broeders en zusters, buonasera.’ Mensen om mij heen zijn ontroerd door zoveel gewoonheid. De gewoonheid en nederigheid zullen een rode draad worden in het pausschap van Franciscus. De inmiddels tachtigjarige Argentijn met Italiaanse roots probeert dicht bij de mensen te staan, predikt soberheid en hekelt de exorbitante uitgaven van enkele van zijn kardinalen. Om zijn boodschap kracht bij te zetten woont de Paus zelf niet in de luxueuze pauselijke vertrekken maar in de Domus Santa Marta, het eenvoudige gastenverblijf van het Vaticaan. Zijn warme benadering is een verademing bij zijn wat afstandelijke voorganger, Franciscus is opvallend populair bij niet-katholieken. Terwijl zijn boodschap net zo conservatief is als die van Benedictus XVI, maar de verpakking is beter.

De meeste kritiek op Franciscus komt uit onverwachte hoek, katholieken zelf. Met name conservatieve katholieke intellectuelen vinden dat Franciscus te populistisch doet. ‘Dat ‘buon pranzo’ en die opgestoken duimpjes kennen we nu wel’, hoorde ik er een zeggen. Ook zijn mededogen met vluchtelingen valt niet altijd in goede aarde, zeker niet bij rechtse politici in Italie. Deze paus is te links populistisch, vinden ze in die hoek.

Maar ondanks de kritiek heeft die bescheiden bisschop uit Buenos Aires de katholieke kerk een vriendelijker gezicht gegeven en het Vaticaan een iets progressievere koers laten varen en is Franciscus, bijna, net zo populair als Paus Johannes Paulus II.

Radijsteler in Italië

Vijftien jaar geleden besloot Willem Jan Coolbergen radijsjes te gaan telen in Italië. Het oog viel op de ‘Agro-Pontina’ in de provincie Latina, een agrarisch gebied op zo’n 70 kilometer ten zuiden van Rome. Een voormalig moeras dat in de jaren dertig in opdracht van de fascistische dictator Benito Mussolini werd drooggelegd. Nieuw land dus, waar nazaten van de arme boeren die uit heel Italië hierheen kwamen om land te winnen, nog steeds hun land- en tuinbouw bedrijven hebben. Willem-Jan is hier nieuweling tussen de nieuwelingen. ‘Dat maakt sfeer hier hartelijk en transparant.’

De kaarsrechte wegen in het vlakke land verraden de jeugd van dit gebied, de precieze regelmaat van de zijwegen – elke 1600 meter is er een Via Migliara –  de fascistische hand en de dorpsnaam Borgo Grappa de noordelijke herkomst van de bewoners. Grappa is een brandewijn die zijn oorsprong heeft in de Veneto, het achterland van Venetië. ‘Het zijn allemaal Veneti hier,’ lacht Willem-Jan Coolbergen, groot, blond, blauwe ogen in een door de zon gebronste gezicht., Willem-Jan, of ‘William’ zoals ze hem hier noemen, heeft het naar zijn zin in deze strook voormalig moerasland. ‘Perfect gebied voor het telen van radijzen, vooral in de winter.’

Ruim vijftien jaar geleden zocht Coolbergen, samen met zijn broer Ad naar een manier om ook in de koude maanden radijzen te telen zonder dat de stookkosten de pan uit rijzen. ‘We zagen dat we in Nederland en Duitsland concurrentie hadden van radijzen uit Latina, tegen prijzen waar wij niet tegenop konden.’ Toen Ad als lid van de landelijke radijscommissie een kijkje ging nemen in de Agro-Pontina en ontdekte dat daar het hele jaar door radijzen werden gekweekt in onverwarmde kassen, vatten de broers Coolbergen het idee op om naar Italië te gaan. ‘We hadden ook naar Portugal kunnen gaan, maar hier heb je ook een binnenlandse afzetmarkt.’ Dertig procent van Coolbergen’s productie blijft in Italië, de rest gaat naar Noord-Europa, vooral naar Duitsland.

In de Agro-Pontina wordt al decennia lang radijs geteeld die de lokale Italiaanse markt bedient, daarnaast zijn er goede verbindingen met Oost-Europa, een belangrijke markt voor radijs. Lang hoefden Willem-Jan en zijn broer Ad dus niet na te denken en samen met de broers René en John Cornelissen, radijstelers uit het Limburgse Melderslo, zetten ze Ortolanda op, met Willem-Jan Coolbergen als directeur.

Toen Coolbergen in 2000 naar Italië kwam had hij grond noch een huis, laat staan een afzetmarkt. ‘Ik kocht na veel zoeken drie hectare grond, dat was al heel wat. De meeste bedrijven waren toen zo rond de één hectare.’ In vijftien jaar is Ortolanda uitgegroeid tot bijna 35 hectare en woont Coolbergen in een witte villa op het enorme bedrijfsterrein aan de Via Migliara 45. In het begin dacht hij nog de Nederlandse methodes in Italië toe te kunnen passen. ‘Ik oogstte machinaal, net als op het bedrijf in Oude Tonge, maar daardoor kreeg ik niet dezelfde kwaliteit radijs als mijn concurrenten hier in de omgeving.’ Klanten wilden grove radijs en niet de ‘knolletjes’ die Coolbergen met zijn machine uit de grond haalde, nu staan de oogstmachines stof te verzamelen en wordt ook de oogst bij Ortolanda met de hand gedaan. Inmiddels heeft Coolbergen zo’n honderd medewerkers, ongeveer de helft in vaste dienst en de rest op oproepbasis.

In de voorste van de twee grote productiehallen staat een tiental medewerkers radijs te wassen en te selecteren. De radijs is diezelfde ochtend van het land gekomen en wordt in drie categorieën verdeeld, klein, middel en groot. Misvormde radijzen worden weggegooid. ‘Het oog wil ook wat,’ zegt Coolbergen. In de tweede hal worden de radijsjes verpakt en klaargemaakt voor distributie. Achter de twee hallen staan de kassen. Achttien hectare plastic tunnels in eigen beheer en in de winter huren ze nog eens zeventien hectare aan kassen van collega radijstelers in de buurt.  ‘Het jaar rond telen we zo’n tien hectare, in de zomer is dat voldoende voor de Italiaanse markt, en in de winter verbouwen we op vijfendertig hectares om aan de grote vraag in de rest van Europa te voldoen.’

Door de grote oppervlakte kan Coolbergen in Italië dunner zaaien dan hij in Nederland gewend was, dat levert een lagere productiviteit per vierkante meter op, maar wel een grotere radijs van een hogere kwaliteit. ‘Met vijftien knollen in een bosje hebben we een hoger gewicht dan in Nederland met twintig knollen in een bosje.’

Tevreden kijkt Coolbergen vanuit zijn woonkamer naar de productiehallen achter zijn huis, inmiddels maakt hij volledig deel uit van de tuinbouwgemeenschap in de Agro-Pontina, maar dat is niet altijd zo geweest. ‘In het begin werd ik toch met argusogen bekeken, toch een beetje: wat komt die Hollander hier doen.’ Coolbergen meldt zich vrij snel aan bij spil van het Italiaanse boerenleven: de coöperatie, daarmee is de eerste horde genomen en verzekert hij zich van afzet. Het feit dat Coolbergen hard werkt, van nul af moet beginnen en niet in een protserige auto rondrijdt, dwingt respect af. ‘Het scheelt dat dit een jong gebied is, iedereen is in feite nieuwkomer. Daardoor word je makkelijk opgenomen.’ Coolbergen roemt de samenwerking met zijn collega’s: hartelijk, behulpzaam en transparant. ‘De deur staat altijd open, niemand zit elkaar in de weg.’ Toch is Coolbergen na al die jaren geen Italiaan geworden, daarvoor zijn de banden met Nederland te sterk. Elke vrijdag stapt hij op het vliegtuig en zoekt hij zijn familie op op Goeree-Overflakkee. ‘Ik zou niet constant hier willen wonen, maar helemaal terug naar Nederland. Nee, dat ook niet. Het is hier warmer, vriendelijker, maar als ik hier te lang ben dan mis ik weer mijn vrienden in Nederland, de Hollandse gezelligheid.’

De reden dat Willem-Jan nu twaalf uur per week heen en weer pendelt is een vervelende episode uit het begin van zijn Italiaanse avontuur. Nadat een oogstmachine in brand wordt gestoken besluit Coolbergen’s vrouw, inmiddels ex, dat Italië haar land niet meer is en keert met hun twee kinderen terug naar Nederland. De dader wordt nooit gepakt, maar Coolbergen blijft.

Vlak na de start van Ortolanda begint Willem-Jan kassen te bouwen omdat het in de Agro-Pontina relatief veel regent. Zijn manier van telen wekt nieuwsgierigheid. ‘Collega’s kwamen kijken en begonnen zelf ook kassen te bouwen. Wat dat betreft ben ik een pionier.’ Inmiddels staat het voormalige moeras vol met kassen en worden de tuinbouwbedrijven steeds groter. Net als in Nederland worden de kleintjes opgeslokt door de groten. ‘Geen gevolg van crisis’, benadrukt Coolbergen. ‘De crisis is voor mij, en mijn collega’s hier, alleen maar goed geweest.’ Door de crisis waarin Italië, nog steeds, verkeert is de rente lager en de benzineprijs gedaald. Alles is goedkoper geworden. ‘Iedereen wil vrachten hebben, dus transport is goedkoper. En ik hoef maar met mijn vingers te knippen en er staan twintig mensen klaar om voor me te werken. Voor een simpel product als radijs is een crisis goed, als het te goed gaat dan hebben mensen de neiging simpele producten over het hoofd te zien.’

De toekomst ziet Coolbergen rooskleurig in, al moet moet Ortolanda wel duurzamer worden en dus investeert Coolbergen in biologische bemesting en in zijn personeel. ‘We steken onze nek uit om de grond te bemesten met natuurlijke middelen in plaats van met chemische middelen. En het personeel moet nog meer een Ortolanda gevoel krijgen.’ Kwaliteit krijgt de voorrang op kwantiteit. Allemaal zaken voor de lange termijn, net als de opvolging. Als het aan Coolbergen ligt neemt zijn oudste zoon Melchior, nu achttien, straks het bedrijf van hem over. Maar de andere drie eigenaren hebben ook kinderen die misschien ook wel geïnteresseerd zijn om naar de Agro-Pontina te verhuizen. ‘Ik hoop in ieder geval dat het bedrijf nooit meer weggaat, het moet gewoon tweehonderd jaar worden.’

Bedrijfsprofiel

Willem-Jan Coolbergen (46) is directeur van Ortolanda, een radijskwekerij in Borgo Grappa, een klein plaatsje zo’n 70 kilometer ten zuiden van Rome. Hij is samen met zijn broer Ad en de broers Rene en John Cornelissen uit het Limburgse Melderslo eigenaar van het bedrijf.

Coolbergen begon in 2000 met drie hectare grond, nu heeft hij vijfendertig hectare; het ‘moederbedrijf’ in Oude Tonge (Z-Holland) heeft een oppervlakte van acht hectare. In de zomer gebruikt hij tien hectare om de Italiaanse markt te voorzien van radijzen, tussen november en maart staan achttien hectare tunnelkassen vol met ‘eigen’ radijs en huurt hij nog eens 17 hectare kassen van collega’s. Het overgrote deel van de winterradijs gaat naar Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland.

Il Codice Fiscale

Maandagochtend. Met een diepe zucht en een steen in mijn maag word ik om half zeven wakker. Vandaag gaat het dan toch echt gebeuren: ik ga een codice fiscale aanvragen. Dit is een Italiaans Burgerservicenummer dat iedere inwoner van het land (ook al is het tijdelijk) nodig heeft om zijn zaken hier goed te kunnen regelen. Mijn huisgenoten waarschuwden me de avond van tevoren al: zorg dat je op tijd bent, neem een boek mee en lunchpakketje, want het kans soms een halve dag duren voordat je aan de beurt bent.

Het agenzia delle entrate waar ik mijn Codice Fiscale aanvraag,  gaat om tien over negen open. Ik wil er al om half negen zijn, in verband met de lange wachtrij. Als ik om vijf voor half negen de hoek van de straat omloop, zie ik al mensen ongeduldig wachten. Ik ben blijkbaar niet de enige die aangeraden is op tijd te zijn.

Gewapend met de juiste formulieren en een kopie van mijn paspoort, rijbewijs en een uittreksel van mijn geboorteakte (better be safe than sorry) sluit ik achter in de rij aan. Naast me wrijft een jongen van mijn leeftijd de slaap uit zijn ogen. Ik kijk hem aan: “Goedemorgen”, groet ik hem hartelijk. Ik krijg een grom terug.

Klokslag tien over negen: de deur gaat open en de ongeduldige rij komt langzaam in beweging. “Mijn kinderen zijn ziek, dus ik wil eerst”, excuseert de vrouw naast me zich en elleboogt zich naar voren. “Ik moet mijn moeder verplegen die is slecht ter been”, roept een man achterin de rij.

Terwijl een aantal streng uitziende beambten toeziet op de hele meute, trek ik een nummertje, 51. En we zijn bij nummer vijf. Tijd voor een kop koffie en het eerste hoofdstuk uit mijn boek. Anderhalf uur later ben ik aan de beurt en loop een ruimte in vol tafels achter plexiglas. “Het lijkt de Bijlmerbajes wel”, mompel ik zachtjes. Achter ‘mijn’ tafeltje een kale nors uitziende ambtenaar met een stierennek. Met de tip van mijn huisgenoot in het achterhoofd zet ik zet mijn grootste glimlach op: “blijf vriendelijk, open en rustig. Als ze je niet mogen wordt de zit nog langer”.

Enigszins vergenoegend presenteer ik hem alle documenten. Hij leest alles op zijn gemakje door en maakt wat aantekeningen in de computer. Dan ineens verschijnt er een grote frons op het kale voorhoofd. “Paesi Bassi? Quale paese è?”. Nederland, welk land is dat? Enigszins verbaasd geef ik antwoord dat dat het land is waar ik vandaan kom en dat het ook wel “Olanda” wordt genoemd. Hij kijkt me aan en roept zijn collega. Zachtjes overleggen ze en ik hoor hem vragen of i Paesi Bassi inderdaad hetzelfde zijn als Olanda. De dame in kwestie kijkt me zuinig aan en zegt dat ze dat niet weet. Vervolgens wordt er een derde persoon bij geroepen.

Ondertussen pak ik mijn boek uit mijn tas en begin maar aan hoofdstuk drie. Met een beetje geluk heb ik het eind van de ochtend uit als het trio Kwik, Kwek en Kwak zo door blijft gaan. Na een discussie van zeker een uur en een kwartier komt de kale stierennek  terug en kucht. “Sorry jongeman, we hebben besloten de ambassade te bellen om uw data te verifiëren. Als dat zo is, gaan we verder met de procedure”.  “Va bene”, zucht ik. Na drie en een half uur was ik er wel een beetje klaar mee…

Ineens verschijnt de vrouw met het zuinige gezicht. Ze is zichtbaar opgelucht: Olanda en i Paesi Bassi zijn hetzelfde land. De procedure kan verder gaan. De norse man drukt twee keer op ‘Enter’ en overhandigt me het papiertje waar een heel lang nummer op staat. “Ecco, il codice fiscale”. Mijn mond valt open en ik kijk hem vol ongeloof aan. “Is dit alles?”, ik kijk hem met grote ogen aan. “Ja dit is alles,” snauwt hij. “Had u nog meer verwacht?” Als u meer informatie wilt, komt u morgen maar terug. Het is lunchtijd”.

Om één uur ’s middags sta ik eindelijk weer buiten. Mét een codice fiscale en een belangrijk detail om te onthouden: voortaan heb ik het alleen nog maar over Olanda.

Een stropdas halverwege Londen en Napels

Een stukje Londen in Napels, dat had Eugenio Marinella voor ogen toen hij honderd jaar geleden zijn winkeltje met uitzicht op de beroemde baai van Napels, begon. Zijn handgemaakte zijden dassen worden nu gedragen door koningen, presidenten en zakenmensen.

Een eeuw geleden was de Engelse hoofdstad was in die tijd voor herenmode, wat Parijs was voor de damesmode: hét voorbeeld. Sinds die tijd is E.Marinella uit Napels zelf uitgegroeid tot een luxury brand. Het winkeltje zit er nog steeds, nog steeds op dezelfde plek en met nog steeds dezelfde entree: aan weerszijden van de deur notenhout etalages met naar binnen gebogen glas. Twintig volgestouwde vierkante meter. Overal stropdassen, het product waar Marinella zo beroemd om is. ‘Maar we verkopen ook overhemden, jassen en schoenen,’ zegt Maurizio Marinella, kleinzoon van oprichter Eugenio en de huidige eigenaar. Zijn vader Luigi nam, in de beste Italiaanse traditie, de zaak over van zijn vader en nu is het de beurt aan Maurizio. ‘De vierde generatie staat ook al klaar. Mijn zoon Alessandro is negentien.’ Vijftig jaar geleden, hij was toen acht, riep zijn opa hem bij zich tijdens de zondagse lunch en zei dat hij hem de volgende dag mee naar de winkel nam, om ‘alvast de lucht in te ademen.’ Sindsdien is hij elke dag vanaf half zeven in de winkel te vinden.

Het winkeltje dat opa Eugenio honderd jaar geleden opende was niet erg populair bij de opiniemakers van de stad. ‘Het lijkt wel een dorpsapotheek,’ schreef de lokale krant ‘Il Mattino’ over de donkere, Engelse, aankleding van de zaak. De krant schreef dat op 29 juni 1914, de dag na de aanslag op aartshertog Frans Ferdinand van Oostenrijk. Een dag dat buitengewoon veel, rijke Napolitanen de krant lazen. De nieuwsgierigheid naar de ‘dorpsapotheek’ was gewekt. Kleinzoon Maurizio ziet dat nu als een geuzennaam. ‘Nog steeds komen mensen uit alle lagen van de bevolking elke ochtend een praatje maken.We bieden ze koffie aan. Het is een fijn begin van de dag.’ Volgens Marinella weerspiegelt dat ochtendritueel het bijzondere karakter van de stad Napels. ‘Hier woonden rijke mensen niet in aparte wijken, maar op de hogere verdiepingen van hetzelfde palazzo waar de arme mensen beneden woonden. Er is historisch gezien veel meer contact tussen de verschillende klassen dan in andere Italiaanse steden.’

Maar niet iedere klasse kan zich een Marinella stropdas veroorloven. De standaard das kost E100,–, een op maat gemaakte al gauw het dubbele. ‘Onze klanten hebben een bovengemiddeld inkomen,’ geeft Marinella toe. Het zijn veel zakenlui, advocaten en notarissen die bij Marinella kopen. En veel bekende mensen. ‘Koning Juan Carlos, Bill Clinton, Prince Charles, Nicholas Sarkozy’, kleinzoon Maurizio bladert door de map met dankbrieven. ‘Allemaal hebben ze een das van ons,’ glundert hij in zijn ‘kantoor’, het dakterras achter de winkel.

Het originele winkeltje mag dan nog steeds bestaan, de echte verkoop vindt om de hoek plaats. Via de binnenplaats en de ruime trap van het barokke palazzo achter de ‘dorpsapotheek’ kom je in een ruime, moderne modezaak met een lichte parketvloer en airconditioning – geen overbodige luxe in de vochtig hete Zuid-Italiaanse zomers. Voor de vele internationale klanten heeft Marinella Japans en Russisch sprekend personeel. Van 20 vierkante meter in de sjiekste wijk van Napels is Marinella in 100 jaar uitgegroeid tot een wereldbedrijf met een omzet van 16 miljoen euro per jaar, twaalf winkels op drie continenten en 60 werknemers.  ‘We zijn, volgens de Napolitanen zelf, na Maradona en de Napolitaanse acteur Totò, het belangrijkste symbool van de stad.’

Sinds het bestaan van de winkel importeert Marinella zijn spullen – stropdassen, overhemden en pakken –  uit Engeland. Dat is, met een onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog, nog steeds zo. Maurizio Marinella gaat regelmatig naar Engeland om de stoffen die hij, net als zijn vader en opa, zelf ontwerpt te laten bedrukken. En in hun eigen atelier worden de stropdassen met de hand gemaakt. ‘Eigenlijk is ons bedrijf half Napolitaans en half Engels.’

In het atelier even verderop zit een twintigtal middelbare dames – volgens Maurizio Marinella zijn al alleen vrouwenhanden geschikt voor dit werk – op deze snikhete woensdag achter hun naaimachine, met daarboven een vergrootglas en een lamp. Overal staan strijkbouten en liggen rollen zijde. Samen maken de vrouwen per dag maximaal 200 stropdassen. Nunzia zit gebogen over een rood stuk zijde (‘Hand printed in England for E.Marinella’) van zeker 25 centimeter breed. ‘Dit is een ‘cinque pieghe’ voor een Japanse client,’ zegt ze, zonder op te kijken. De uiteindelijke das is slechts een centimeter of zeven breed, de rest van de stof wordt op ingenieuze wijze, in vijf vouwen, naar binnen verwerkt. Dát is het speciale aan de Marinella das, de vouwen. Er zijn dassen met vijf, met zeven en zelfs met negen vouwen. ‘En dan moet de stof ook precies goed vallen bij de naden,’ zegt Nunzia, opnieuw zonder op te kijken. ‘De das moet natuurlijk wel perfect symmetrisch zijn.’

Het gaat Marinella zeer voor de wind, dit jaar opent het merk een tweede winkel in Milaan en een winkel in Hong Kong. Toch maakt ‘signor’ Maurizio zich wel zorgen over de toekomst. ‘Ondanks de hoge werkloosheid kan ik geen vrouwen vinden die dit werk willen doen.’

Maar weggaan uit Napels? ‘Nooit.’ Ferm schudt hij zijn kalende hoofd. Het bedrijf heeft aanbiedingen gehad om te verhuizen naar Rome of Milaan.  ‘Ik ben hier geboren en getogen. Deze stad heeft me veel gegeven. Een vriend van mij zegt altijd: waar de logica ophoudt, daar begint Napels. Die chaos, die inspireert.’

Nederlandse bureaucratie in het buitenland

De Tweede Kamerverkiezingen komen eraan en bij veel Nederlanders in het buitenland plofte afgelopen week het stembiljet op de deurmat. En stemmen blijkt een stuk ingewikkelder dan even met een rood potlood een rondje inkleuren. Een gehannes met twee biljetten, twee verschillende enveloppen en handenvol postzegels volgt. En dat is niet mijn eerste ervaring met ingewikkelde Nederlandse bureaucratie.

Afgelopen zomer gingen wij op vakantie buiten Europa, een goede reden om voor ons zoontje van, toen nog, tweeënhalf een Nederlands paspoort aan te vragen. Een Italiaans identiteitsbewijs heeft hij al sinds zijn geboorte. De vakantie is eind augustus gepland en dus begin ik mijn eerste informatieronde al eind november. Dit vooral uit angst voor de legendarisch stroperige Italiaanse bureaucratie. Ik bel de Nederlandse ambassade en vraag wat ik allemaal nodig heb voor een Nederlands paspoort. Een waslijst aan documenten, zo blijkt. Een geboorteakte van onze zoon, die van mij, die van mijn vriendin, een bewijs van de gemeente Rome dat we NIET getrouwd zijn, kopieën van mijn paspoort, die van mijn vriendin en van de identiteitsbewijs van mijn zoon.

Ik begin met mijn geboorteakte, die vraag ik op bij de laatste gemeente waarin ik Nederland woonde voor mijn vertrek. Omdat ik voor 2005 ben vertrokken heeft de Nederlandse overheid bedacht dat het handiger is al die gegevens te centraliseren.

‘Kijkt u maar even op de website van het ministerie van binnenlandse zaken. Goedemiddag.’

Na enig gezoek blijkt, zo staat expliciet op de site, dat ik voor dit soort informatie persoonlijk naar de burgerlijke stand moet komen. Er zijn verschillende gemeentes in Nederland waar documenten voor in het buitenland woonachtige Nederlanders op te halen zijn. Ik kies, enigszins verbouwereerd, de gemeente die het dichtst bij de woonplaats van mijn moeder is en bel.

‘Nee hoor, u hoeft niet hierheen te komen. U kunt ook mailen.’

Op mijn vraag waarom dat dan op de website staat, krijg ik geen antwoord. Op mijn mail wel heel snel. ‘Het adres in onze database komt niet overeen met het adres dat u opgeeft.’ Dat kan kloppen, ik ben in 15 jaar een paar keer verhuisd.

‘Wilt u een handgeschreven brief schrijven waarin u aangeeft wat uw nieuwe adres is?’ ‘Handgeschreven brief?’ , zijn ze gek geworden?! Moet de brief met een postduif verstuurd worden, vraag ik me ongelovig af. Nee, ik mocht hem inscannen en mailen.

Intussen was ik ook naar de gemeente Rome geweest voor de benodigde documenten. Thuis via een app een afspraak gemaakt, naar het kantoor van de burgerlijke stand in de buurt gewandeld en ik was gelijk aan de beurt.

‘Geboorte akte van uw zoon, ok, maar een bewijs dat u niet getrouwd bent?’ De ambtenaar kijkt me ongelovig aan. ‘Dat hebben we niet. We registreren alleen dat mensen getrouwd zijn.’

Logisch, denk ik.

‘Is er niet een manier waarop ik, zwart op wit, duidelijk kan maken dat mijn vriendin en ik niet getrouwd zijn?’ De man kijkt me onderzoekend aan en loopt even weg. Als hij terug is glinsteren zijn ogen. ‘Ik geef jullie gewoon een ‘stato di famiglia’, daar staat op dat u niet gehuwd bent.’

‘Goed idee,’ zeg ik.

‘Ook één voor uw vriendin?’

‘Ja, doet u maar gelijk,’ met een half uur sta ik weer buiten met de benodigde documenten.

Halverwege juli eindelijk de afspraak op de ambassade. De hele familie en de map met documenten mee, op het laatst stop ik mijn Italiaanse identiteitskaart in mijn portemonnee. ‘Je weet nooit,’ mompel ik tegen mezelf.

‘Geboorteakte van uw zoon, ok,’ de ambassade medewerkster kijkt me door het glas onderzoekend aan. ‘Stato di famiglia, ok. Kopieën van de paspoorten, ok. Pasfoto’s, ok.’

Ineens kijkt ze me streng aan. ‘Maar dit paspoort is van 2014, dat bewijst niet dat u in november 2013 toen uw zoon geboren werd, Nederlander was.’

‘Wat zegt u nu?’, ik denk dat ik haar niet goed heb verstaan.

‘Uw paspoort is van juni 2014 en dat bewijst dus niet dat u in november 2013 Nederlander was,’ ze kijkt nog strenger. Ik ben een beetje uit het veld geslagen, ik heb een geboorteakte en een paspoort overlegd. Dat lijkt me toch voldoende om te bewijzen dat ik ‘Hollander’ ben. Het Italiaanse identiteitsbewijs biedt uitkomst. Dat blijkt van 2012 en bij nationaliteit staat ‘Olandese’.

Na ruim twee weken krijgt mijn zoon zijn Nederlandse paspoort en ik neem me voor nooit meer te klagen over de Italiaanse bureaucratie.