Riina: de naam leeft voort

Opnieuw laat Salvo Riina van zich spreken, koud uit de gevangenis lanceert hij de ‘Riina’ gadget lijn. T-shirts, telefooncovers en petjes met de naam van zijn beruchte vader: Totò Riina. De ‘capo dei capi’ van de Siciliaanse maffia overleed in november 2017 in de gevangenis in Parma, waar hij levenslang uitzat. Een paar jaar geleden schreef het derde kind van Riina al een, enigszins bizarre, biografie over zijn vader en ik had toen een, soort van, interview met hem..

Ondanks de boycot van grote boekhandels in Italië is de eerste druk van de autobiografie van Giuseppe Salvatore Riina in vier uur uitverkocht. ‘Salvo’ is de tweede zoon van Totò Riina, de capo dei capo van Cosa Nostra. De man die in de jaren tachtig de Siciliaanse maffia in een ijzeren greep hield en verantwoordelijk was voor de spectaculaire aanslagen op onderzoeksrechters Falcone en Borsellino in 1992, zit in isolement 18 keer levenslang uit ver weg van zijn geliefde Corleone op Sicilië. Zoon Salvo beschrijft in zijn boek ‘Riina family life’ zijn vader vooral als een liefhebbende en zorgzame man.

‘De staat is de entiteit waarin ik leef,’ Riina knikt minzaam naar de interviewer van de RAI met een aan arrogantie grenzend zelfvertrouwen. ‘Maar wel een entiteit die mij mijn vader heeft afgepakt.’ Op zijn ietwat pafferige hoofd verschijnt een lichte glimlach, de interviewer is er stil van.

Giuseppe Salvatore Riina wordt ruim een half uur geïnterviewd op de Italiaanse televisie over zijn autobiografie ‘Riina family life’, het is een verbijsterend gesprek. Behalve het stuitende gebrek aan kritiek van de interviewer, valt vooral de complete wereldvreemdheid van Riina zelf op. ‘Waarom moet ik zeggen dat mijn vader fouten heeft gemaakt? Daar is de overheid voor, daar zijn rechters voor. Ik hou van mijn vader, hij was een goede vader.’

Dat gebrek aan zelfreflectie kenmerkt het hele interview. Riina vertelt over het familieleven van de grote maffiabaas, alsof het een gewoon leven is. Het feit dat zijn vader zich door anderen Bellomo laat noemen, dat Salvo en zijn broer en twee zusjes nooit naar school zijn gegaan maar door hun moeder thuis worden onderwezen en dat de familie heel regelmatig moest verhuizen, het is allemaal volstrekt normaal.

Giuseppe Salvatore ‘Salvo’ Riina is op 3 mei 1977 in Palermo geboren als derde kind van Salvatore ‘Totò’ Riina en Antonietta ‘Ninetta’ Bagarella, jongere zus van de beruchte maffioso Leoluca Bagarella. Een volbloed maffiose familie dus. Salvo heeft een oudere zus, Maria Concetta, en een oudere broer, Giovanni Francesco. Drie jaar na Salvo wordt zijn kleine zusje Lucia geboren. ‘Mijn vader heeft ons alle vier persoonlijk en onder onze eigen naam opgegeven bij de burgerlijke stand in Palermo,’ vertelt Riina aan de verbouwereerde interviewer, 1,2 miljoen Italianen kijken met hem mee, 14% van alle mensen die op dat late tijdtip voor de tv zitten. Een beetje bizar als je bedenkt dat Riina bij de geboorte van zijn eerste dochter al vijf jaar op de vlucht was. ‘Mijn vader ging elke dag de deur uit om naar zijn werk te gaan. Hij zei dat hij een landmeter uit Mazara del Vallo was.’ Geen woord over de vele slachtoffers die zijn vader gemaakt heeft. ‘Mijn ouders zijn de reden dat ik ben wie ik ben, zij hebben mij hun normen en waarden bijgebracht.’ En het gebod ‘gij zult niet doden’ dan?, probeert de interviewer nog, in een zeldzaam moment van journalistieke scherpte.

‘Eert uw vader en uw moeder,’ is het secce antwoord van de zoon van de maffiabaas.

Het interview maakt nieuwsgierig naar het boek en de man. Het contact met de uitgeverij is snel gelegd. Mario Tricario, eigenaar van de kleine en relatief onbekende Edizionianordest neemt zelf de telefoon op. Voordat ik mijn zin kan afmaken zegt hij ‘u belt zeker voor het boek van Riina?’ Inderdaad, is mijn wat verbaasde antwoord. ‘En ik zou hem ook graag willen interviewen.’ Mijn verbazing wordt nog groter, als Tricario zegt dat dat geen probleem is, maar dat het waarschijnlijk niet face to face of telefonisch kan. ‘Hij mag niemand bellen omdat hij nog een straf uitzit.’ Riina is op vrije voeten, woont in de noordelijke stad Padova, maar is nog wel verplicht zich dagelijks te melden. Een restant van de bijna negen jaar gevangenisstraf die hij kreeg voor lidmaatschap van een maffiose organisatie en afpersing. De aanklacht luidt dat Riina junior bezig is zelf in de voetsporen van de ‘capo dei capi’ te treden. In zijn boek beschrijft Salvo die straf als ‘belachelijk’ en beklaagt zich over de pesterijen van de politie vanwege zijn achternaam. ‘Elke keer als ik, samen met mijn broer, met de scooter door Corleone reed werd ik aangehouden. Ze zochten echt iets om ons te pakken.’

Tricario belooft me het boek op te sturen en contact te zoeken met Riina voor het interview, ondertussen vertelt hij opgetogen over de totstandkoming van zijn, nu al, bestseller. ‘Anderhalf jaar geleden werd ik benaderd door een journalist met het voorstel van een boek over Riina, maar dat wilde ik niet. Ik wilde een boek van de hand van Riina zelf. Een jaar later lag er een manuscript op mijn bureau, ik heb het gelezen en gelijk het contract getekend.’

Gezien de snelle verkoop is de nieuwsgierigheid van de Italianen naar hun wreedste crimineel groot, maar ook de kritiek is fel. Organisaties van maffiaslachtoffers en ook de voorzitter van de parlementaire anti maffia commissie vinden een boek over Totò Riina en zijn gezin ongepast en Feltrinelli, de grootste boekhandelketen van het land weigert het boek te verkopen. ‘Het is geen boek over de maffia,’ wimpelt Tricario de kritiek af. ‘Het boek biedt een uniek inkijkje in het leven van een bijzondere familie, het beschrijft het dagelijks leven in een maffia familie. Dat is de waarde van dit boek.’

Een uur na het telefoongesprek heb ik het, digitale, boek in mijn mailbox, hoewel verrassend goed geschreven blijkt ‘Riina, family life’ taaie kost. Het is één grote klaagzang over hoe de Italiaanse staat zijn vader, Totò Riina, behandelt die in een gevangenis in Milaan achttien keer levenslang uitzit. In complete afzondering. ‘Hij ziet of spreekt niemand’.

Het eerste hoofdstuk beschrijft de laatste keer, in 2008, dat Salvo zijn vader heeft gesproken. Tien minuten via de telefoon, toen hij zelf in de gevangenis zat. ‘Dit is papa’s enige contact met de buitenwereld deze maand, mijn moeder en mijn broer en zussen kunnen hem nu niet spreken omdat ik bel.’ Wat volgt is een redelijk normaal gesprek tussen een vader en zijn zoon over hoe het gaat met pa zijn hart en wanneer zoon vrijkomt. ‘Ik hoop in oktober,’ vertelt Salvo in Siciliaans dialect. ‘Maar ik heb er niet zoveel vertrouwen in.’ Pa wijst zijn zoon er nog op dat hij op zijn moeder en kleine zusje moet passen en dan zijn de tien minuten om. ‘Ik heb zeven maanden op de stem van mijn vader moeten wachten en nu moet ik alweer leven van herinneringen.’ Salvo vindt het allemaal maar vernederend, maar, verzucht hij, ‘dit is mijn Totò Riina, dit is mijn familie.’

Een familie die gebukt gaat onder de naam Riina. Een familie die na de arrestatie van vader Totò Riina op 15 januari 1992 midden in het centrum van Palermo, terugkeert naar Corleone en daar, volgens Salvo, het slachtoffer is van pesterijen van de politie en Carabinieri. Zijn broer Giovanni en hij worden constant in de gaten gehouden, niet zonder reden zou je denken als Giovanni in 1996 wordt gearresteerd op verdenking van vier moorden en daarvoor nu levenslang uitzit, maar Salvo denkt daar ander over. ‘Het zijn de woorden van spijtoptanten als Monticciolo en Brusca die mijn broer hebben veroordeeld, niet de bewijzen van de Italiaanse justitie.’ De naam Riina doet Italiaanse rechters lichtzinnig omspringen met bewijslast is de vaste overtuiging van Salvo Riina. Ook de dag van zijn eigen arrestatie op 4 juni 2002 beschrijft hij als een circus. ‘Voor de deur staat een politieagent. Achter hem nog een heleboel. De Vicolo Scorsone was helverlicht door de zwaailichten van de politiewagens, die in een rij voor ons huis stonden.’

Terwijl de agenten van bureau Palermo het huis doorzoeken op bewijsmateriaal wordt Salvo gearresteerd.

‘Giuseppe Salvatore Riina?’, vraagt de agent.

In zijn map heeft hij een enorme zwartwit foto met mijn gezicht erop, dezelfde die ik in de kranten had gezien.

‘Dat ben ik,’ knik ik.

De agent gaat zachter praten, uit medelijden met mijn moeder.

Hij ziet dat haar handen trilden.

‘Riina, heeft u het begrepen? Ik moet u arresteren. U doet nu wat ik zeg, dan doen we het zonder al teveel show te maken.’

Salvo Riina verdwijnt uiteindelijk voor acht jaar en tien maanden achter de tralies, maar tot op de dag van vandaag moet hij zich nog regelmatig melden op het politiebureau in zijn woonplaats Padova, niet ver van Venetië. Die geconditioneerde vrijheid is de reden dat ik Salvo niet persoonlijk kan spreken en ook een telefoongesprek is uit den boze. De enige optie: een email interview. Na een avond zorgvuldig vragen formuleren (want hoe zorg je ervoor dat de ontvanger ook echt op je vragen in gaat?) druk ik op de verzendknop, hopend op een snel antwoord van de zoon van de grootste Italiaanse crimineel van de afgelopen 35 jaar.

Nog geen 24 uur later antwoord van Giuseppe Salvatore Riina. Een teleurstelling. De eerste regel is een verwijtende vraag waaruit dezelfde aan arrogantie grenzende zelfverzekerdheid spreekt: of ik het boek wel gelezen heb omdat veel van de dingen die ik vraag ook in het boek staan. Als ik in een vervolgmail uitleg dat ik geen uittreksel van het boek wil schrijven, maar graag concrete antwoorden wil op de vragen die het boek bij me oproept, blijft het stil. Salvo wenst niet meer te antwoorden.

In de rest van de mail draait hij vooral om de hete brij heen, geeft geen antwoord op vragen of zijn vader hem zijn excuses heeft aangeboden voor zijn rondreizende jeugd of waarom er geen woord vuil wordt gemaakt aan zijn vader’s slachtoffers, maar grijpt wel de gelegenheid aan om even tekeer te gaan tegen zijn criticasters. ‘Ach ik, ben gewend aan dit soort onzinnige polemiche’, schrijft Salvo in zijn mail. ‘Elke keer als ik, of een ander llid van de familie in de openbaarheid treedt dan is er altijd wel een journalist of een politicus die ons wil censureren of ons onze rechten wil ontzeggen, rechten als libertà van denken, de libertà van meningsuiting en de libertà om keuzes te maken zoals iedere Italiaan dat mag. Helaas is Italie een hypocriet land, een valse democratie. Ik houd van mijn land, maar ik moet toegeven dat libertà alleen beschreven staat in de grondwet, maar niet in het echte leven.’

Bijna zou je medelijden met hem krijgen, de jongen zit namelijk vol goede bedoelingen:

‘Ik heb dit boek geschreven om inzicht te geven in mia vita en dat van mia famiglia maar vanuit een ander standpunt, dat van zoon. Over mijn vader zijn boekenkasten volgeschreven, er is zelfs een film over hem gemaakt. Niemand heeft zich daar ooit druk over gemaakt totdat ik degene ben die een boek schrijft en een andere realtà laat zien. Misschien is het die andere waarheid die deze ‘censoren’ niet willen dat de mensen lezen? Daarbij komt dat degene die de grootste kritiek had op mijn televisieinterview, het boek absoluut niet had gelezen. Dat is het bewijs dat het om censura preventiva gaat.’

Blijkbaar was de preventieve censuur niet krachtig genoeg om Salvo te beletten het boek te publiceren. Hij had niet veel moeite een uitgever te vinden. ‘Het progetto voor het boek begint ruim vier jaar geleden. In de rijpingsproces van het boek heb ik contact gehad met zes of zeven uitgeverijen die interesse hadden mijn boek uit te geven, maar er miste elke keer iets om tot een uiteindelijke overeenkomst te komen. Bij signor Tricario van de ‘Edizionianordest’ uitgeverij was er wel die klik.’

Met deze drie antwoorden maakt Giovanni Salvatore Riina zich ervan af, het is duidelijk: Riina junior wil Riina senior niet bekritiseren en vindt het raar als andere mensen dat wel doen. Het maakt niet uit dat je als kind samen met papa Totò op de bank naar een krater in een snelweg zit te kijken en dat onderzoeksrechter Giovanni Falcone en zijn escorte door die krater verzwolgen zijn. Dat papa Totò daar onbewogen naar kijkt, maar dat je ergens wel voelt dat hij daar iets mee te maken heeft.

Papa Totò heeft je normen en waarden geleerd en daar moet je naar leven.

‘Eert uw vader en uw moeder.’ En dat doe je. Onvoorwaardelijk.

Hoeders van de historie

In een wereld die steeds eenvormiger wordt, waar de producten die we eten steeds meer op elkaar gaan lijken en het aantal voedsel- en zadenproducenten steeds kleiner wordt, is een groeiende groep boeren die zich daar tegen verzet. In Italië bijvoorbeeld zijn verschillende organisaties die antieke zaden, planten en fruitsoorten opsporen, bewaren en opkweken. Eén van die organisaties is Civiltà Contadina, een netwerk van zo’n 150 boeren, professioneel en hobby, in het hele land. Voorzitter van de stichting is Cristiano del Toro.

 

‘Deze twee hectare zijn van mij,’ Cristiano del Toro wijst op het rommelige stukje grond voor hem. ‘En daar, aan de andere kant van de vallei, heb ik nog eens twee hectare. Daar verbouw ik voornamelijk wijn en olijven.’ Del Toro’s grond ligt in Castiglione Messer Raimondo, een gehucht op de oostflank van de Gran Sasso, de hoogste punt van de Apennijnen in de regio Abruzzen zo’n 200 kilometer ten oosten van Rome. Drie uur rijden over smalle, soms zelfs onverharde, bergwegen, maar zeer de moeite waard, want de omgeving is prachtig en het uitzicht op de Gran Sasso spectaculair.

‘Je kan zien dat ik al een tijdje niet meer ben geweest.’ Del Toro verontschuldigt zich als hij voor me uit zijn land op loopt. Olijfbomen, appelbomen, tomatenplanten en bonenstaken staan kriskras door elkaar. Het gras tussen de gewassen is niet gemaaid.

‘Kijk naar die heuvel daar,’ hij wijst naar de andere kant van de vallei. ‘Dat is ouwerwetse landbouw,’ er staan links en rechts wat olijfbomen, maar niet keurig in een rij zoals op het veld ernaast.’

 

De scheidslijn tussen traditionele en moderne landbouw is volgens Del Toro de Tweede Wereldoorlog. Om Italië, en Europa, er weer snel bovenop te helpen moest er op grote schaal goed en goedkoop voedsel geproduceerd worden, dat ging gepaard met een vergaande mechanisering en een groeiend gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen. ‘In dat proces is er gekozen voor gemak, bijvoorbeeld traditioneel zijn bonen klimplanten die kan je niet mechanisch oogsten. Daarom zijn moderne bonenplanten dwergplanten. Wat verloren gaat is in eerste plaats smaak en daarnaast de resistentie van de planten in een tijd van klimaatverandering. Mijn tomaten hebben deze natte zomer zonder problemen overleefd, de buren die tomatenzaden hebben gekocht, hebben dit jaar geen tomaten.’

Volgens Del Toro kunnen veel moderne planten niet overleven zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen ‘ze gedragen zich als een terminale patiënt op de intensive care’. Tegelijkertijd zijn in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw veel traditionele groente- en fruitrassen afgeschreven omdat ze niet geschikt waren voor de intensieve landbouw en raakten ze in de vergetelheid.

‘Gelukkig is die ontwikkeling niet overal even snel gegaan, in Italië zijn vooral de regio’s Lombardije, Veneto en Toscane overgestapt op intensieve landbouw, heuvelachtige gebieden zoals hier in Abruzzen werden minder geschikt geacht. Daardoor is de grond hier minder vervuild en zijn er nog relatief veel antieke planten bewaard gebleven.’

 

Cristiano Del Toro (36) is eigenlijk landschapsarchitect en bewerkt het land uit hobby. ‘Alles wat ik verbouw eet ik op of ruil het tegen producten die ik zelf niet heb, zoals vlees. Ik hoef er niet aan te verdienen, maar ik bespaar wel een hoop geld.’ Hoewel hij boert uit hobby is Del Toro wél heel serieus over zijn producten en de verscheidenheid ervan.

‘Ik ben vooral bezig met lokale rassen, rassen die ik heb teruggevonden en die ik hier opkweek, en planten uit andere delen van Italië, maar ook van de wereld, die ik interessant vind om erbij te hebben. Maar de basis van mijn manier van boeren is vrije bestuiving. Planten moeten zich jaar na jaar kunnen blijven voortplanten en verbeteren. Planten ontwikkelen zich door, in de genen van de zaden wordt vastgelegd hoe ze moeilijke periodes kunnen overleven.’

Het beschermen en vermeerderen van zaden en, bijzondere, planten is één van de doelen van de stichting Civiltà Contadina, dat zoiets betekent als Boeren Beschaving, zo lezen we op hun website. De stichting heeft zo’n 150 leden door heel Italië en zet zich sinds 1996 vooral in voor het bewaken van de biodiversiteit, het recht op voedselsoevereiniteit en de vrije circulatie van zaadgoed. Hoewel niet expliciet gemeld op hun website is Civiltà Contadina wel degelijk te beschouwen als een stil protest tegen zaadgiganten als Monsanto. ‘We willen vooral laten zien dat het mogelijk is op een andere manier voedsel te verbouwen dan de homogene manier die voor modern doorgaat en die landbouwgrond steeds verder uitput.’

De moderne manier van boeren wordt door Del Toro beschouwd als een verschraling van de rijke historie en zijn stichting wil vooral ook het culturele erfgoed dat gerelateerd is aan de traditionele manier van boeren in kaart brengen. Maar hij benadrukt dat ze geen nostalgische zadenverzamelaars zijn. ‘Het is geen zadenbank,’ legt Del Toro uit. ‘Biodiversiteit bewaar je niet in een koelkast. We hebben wel dat type conservering maar dat beschouw ik als een soort recovery disk, als ik alle data kwijtraak dan kan ik die, in het uiterste geval, daar vandaan halen. Zaden moeten bewaard worden in het veld.’

In Del Toro’s uit de kluiten gewassen moestuin staan verschillende appelsoorten – eentje die eruit ziet als koeienkop, eentje die Limoncella heet en een derde met rood vruchtvlees – , een tiental tomatenrassen, bonen, mais en vijf verschillende soorten olijven. ‘Deze olijfgaard stamt uit de jaren negentig, met een lokaal olijven ras, de Dritta, die al honderden jaren hier verbouwd wordt en een paar Toscaanse varianten die hier in de jaren zeventig zijn geplant. Ze zouden mooiere olijven produceren die ook nog eerder rijp zouden zijn. Dit jaar hebben we hebben ngo een late vorst gehad en kijk, de lokale olijfbomen geven olijven, maar de geïmporteerde Toscaanse niet. De Dritta heeft zich in de loop der eeuwen, aangepast aan de omstandigheden en de Toscanen nog niet.’

 

Volgens Del Toro zijn de olijven, oude bomen die alles gezien en meegemaakt hebben, de essentie van Civiltà Contadina. ‘Je kunt niet in een korte tijd reproduceren waar de natuur eeuwen over heeft gedaan.’

 

 

De bar

‘Ciao bello!’

‘Ciao, un caffè, per favore.’

 

De barman begint zijn ritueel: malen, een schepje in de houder, aanstampen, houder onder de espressomachine, kopje eronder en knopje om. Even later druppelt de diepzwarte koffie in het kopje. Ik loop naar de kassa en reken 90 cent af.

Geroutineerd en met een zwier zet de barman het levenselixer op het schoteltje op de bar en maakt een scheur in mijn kassabonnetje.

‘Zio e Tom’ is een van de vele koffiebars bij mij in de straat. Om de paar honderd meter zit er wel een. Een toog, een paar plastic tafels, de onvermijdelijke gokkasten en een glimmende espressomachine. Meer is het vaak niet, zo’n bar. Een aantal keer per week loop ik er naar binnen voor een kopje koffie. Een gewone espresso dus, in een klein wit porceleinen kopje. Maar daarmee ben ik een uitzondering.

‘Caffè al vetro’ (in een glazen kopje zonder oor), hoor ik links.

‘Cappuccino con latte tiepido con poca schiuma senza cacao’ (met lauwwarme melk, weinig schuim en zonder cacao), zegt de oudere dame die zich, al ellebogend, naast mij aan de bar heeft gewurmd.

‘Caffè doppio in una tazza grande’ (dubbele espresso in een groot kopje), roept de bouwvakker, met zijn stoffige blauwe overall, achter uit de zaak.

Italianen lijken er een sport van te maken hun koffie zo gepersonaliseerd mogelijk te drinken. Het is goochelen met hoeveelheden melk, water en koffie. De ingewikkeldste die ik ooit hoorde was: ‘Caffè poco lungo, macchiato con latte tiepido e cacao corretto con grappa’ Oftewel: een iets ‘langere’ espresso met een klein scheutje lauwwarme melk en cacao en ‘gecorrigeerd’ met een beetje grappa.

Verder is koffie drinken niet meer dan een shot caffeine halen. Niet bij het raam naar buiten staren en je tweede bestellen. Geen ellenlange gesprekken aan de bar, want krukken staan er niet. Het is: binnenkomen, betalen bij de kassa, met de kassabon naar de bar, scheur in het bonnetje, koffie opdrinken en weer weg. Hooguit werp je nog een blik in de sportkrant die op de bar ligt of maak je een opmerking over het weer of de nieuwste aankoop van AS Roma, maar daar houdt het wel op.

Koffie drink je voor de koffie, niet voor de gezelligheid.

 

Sicilië, een wieg en een kruispunt

‘La perla dello Ionio’ wordt het stadje genoemd, de Parel van de Ionische kust. En toegegeven: Taormina, hooggelegen op een rots boven een azuurblauwe baai en met zijn smalle straatjes en zijn antiek Griekse theater, is een prachtig stadje. Maar het is niet het enige in de Valle d’Agrò, een vallei halverwege Catania en Messina aan de Siciliaanse oostkust.

Het is nog stil op de Piazza IX Aprile, het centrale plein dat de Corso Umberto in Taormina in tweeën breekt. Het gerinkel van de koffiekopjes overstemt het geroezemoes op straat. Op het met mozaïek ingelegde tafeltje staat een ‘granita al limone con brioche’, het typisch Siciliaans ontbijt. Het waterijs is er in verschillende smaken, maar de traditie wil dat het van citroen is gemaakt. De citroen verfrist en de zoete brioche geeft substantie. Na het ontbijt, een korte wandeling over de dan nog koele Corso Umberto naar het station van de ‘funiculare’.

 

De ochtendzon maakt van de plexiglazen cabine van de kabelbaan een oven, want ook al is het pas 9.00 uur de temperatuur ligt ruim boven de vijfentwintig graden. Langzaam zakt het liftje van Taormina langs de bergwand, richting Isola bella, de heftig begroeide rots midden in de baai van Taormina, waarvan je een adembenemend uitzicht hebt op de vulkaan de Etna. Het kiezelstrand is al behoorlijk vol, zeker de helft van de strandbedjes – allemaal met dezelfde donkerblauwe parasol – is bezet.

Om de drukte te ontvluchten is een ritje van twintig minuten naar het zuiden met een gehuurde genoeg, daar ligt Giardini Naxos, behalve badplaats met lange zandstranden ook de eerste Griekse nederzetting op Sicilië. Hier zijn de parasols geel-blauw. Naxos ligt op een schiereiland en werd in 734 voor Christus gesticht door kolonisten uit Calcide en de Cycladen. Van die oeroude geschiedenis is niet zo heel veel meer te zien. In het Archeologische Park en Museum kan je je met heel veel fantasie een voorstelling maken van hoe het ooit was. In het bijkans uitgestorven park, uw verslaggever is zo’n beetje de enige, zijn her en der muurtjes en vuurplaatsen uitgegraven. Aan de opstelling van de stapels stenen valt op te maken of het ooit een huis of een stadsmuur is geweest. Pas in het bijbehorende museum wordt echt duidelijk hoe Naxos ten tijde van de oude Grieken eruit moet hebben gezien. Geïllustreerde plattegronden en een spectaculaire verzameling gebruiksvoorwerpen, waaronder prachtige helmen, maakt een bezoek aan het ‘Parco e Museo Archeologico di Naxos’ meer dan de moeite waard. Het contrast van de rust in het park en de drukte op het strand is groot en dat terwijl de twee nog geen honderd meter van elkaar afliggen.

Op de boulevard rijden auto’s met de ramen open en de radio hard aan heen en weer, ogenschijnlijk op zoek naar een parkeerplaats, maar in werkelijkheid zonder echt doel. Of het moeten de meisjes in bikini en pareo zijn die richting het strand lopen. Vanaf de punt van het schiereiland wordt de boulevard omzoomt door restaurants, met uitzicht op de halve maan-vormige baai, en typisch Italiaanse ‘stabilimenti’, strandtenten waar je moet betalen om op het strand te komen. Voor een dagje je eigen strandbed en parasol betaal je al snel zeven euro, inclusief uitzicht op het azuurblauwe water, maar exclusief drankjes. Een ochtend hangen op je strandbedje, maakt hongerig. Nu kun je meestal in de ‘stabilimenti’ ook lunchen– een ‘pasta alle vongole’ is zo gemaakt –   maar voor een echte Siciliaanse lunch is het beter uit de strandstoel te komen en een wandeling langs de boulevard te maken.

Lunchen kan eigenlijk overal langs het strand en de gemiddelde kwaliteit is hoog, maar La Cambusa, helemaal aan het einde van de baai, is een absolute aanrader. Het jonge, enthousiaste personeel combineert de Siciliaanse culinaire traditie met vernuft, de pasta met tonijn en munt is ronduit spectaculair evenals het uitzicht op de baai van Giardini. Gegrilde vis als hoofdgerecht en de profiterole met chocola en vanille na en de lokroep van het strandbedje wordt onweerstaanbaar.

 

Zodra de hitte weer draaglijk wordt, is het tijd weer op de Vespa te stappen en langs de bochtige kustweg 18 kilometer naar het noorden te rijden om vervolgens via vier kilometer haarspeldbochten uit te komen in Savoca, volgens het Italiaanse Bureau voor Toerisme één van de mooiste dorpen van Italië. Regisseur Francis Ford Coppola koos het dorp in 1971 uit om de Siciliaanse scenes van zijn eerste Godfather film te draaien. De bar waar Al Pacino als Michael Corleone de vader van zijn aanstaande bruid Apollonia ontmoet, is Bar Vitelli op het centrale plein van het dorp. De bar staat er nog steeds zo bij als 44 jaar geleden, alleen de wankele rieten stoeltjes en houten tafeltjes op het terras zijn onlangs vervangen door moderne aluminium exemplaren. Dat kon pas nadat de oude eigenaresse, ‘Zia Maria’, in 2013 overleed, zij wilde absoluut niet dat er iets in de bar veranderd werd. Inmiddels zwaait de man van haar nicht, Lorenzo Motta  – lichte broek, wit overhemd en een lichte Panama met zwarte band – de scepter. Behalve bar is Vitelli ook een klein ‘Godfather’ museum, in de ruimte rechts van de ingang zijn foto’s te zien van de filmopnames. ‘Coppola kwam hier eigenlijk bij toeval terecht,’ zegt Motta. ‘Een van de producenten, dus diegenen die in Amerika geld in de film stopten, is een verre neef van ons.’ De film is voor Bar Vitelli en Savoca 44 jaar na dato nog steeds handel. Bussen vol toeristen komen kijken op welke stoel Al Pacino in 1971 een biertje dronk of waar hij de heuvel afkwam nadat hij met zijn Apollonia getrouwd was.

Savoca, een dorp van 1661 inwoners, stond in de zomer van 1971 drie weken op zijn kop. Een zwerm Amerikaanse filmmensen streek neer en veranderde het slaperige dorpje in filmset en de inwoners in figuranten. Vincenza Cicala was de enige sprekende figurant in de film. Zij speelt de moeder van Apollonia, Michael’s bruid, uitgekozen door regisseur Francis Ford Coppola: ‘omdat ik de mooiste van het dorp was,’ zegt ze met een glimlach. Ze is te zien in de scene waarin Al Pacino voor het eerst op bezoek komt bij zijn aanstaande schoonfamilie en een cadeau voor Apollonia meeneemt. Waarop Cicala haar enige woord in de film spreekt: ‘Aprilo’. (Open het maar). De goedlachse vrouw in haar gebloemde schort is zeer wel bereid haar verhaal te vertellen. ‘Regelmatig bellen mensen hier en vragen me hoe het was op de filmset.’ Haar huis is halverwege Bar Vitelli en de kerk van Santa Lucia waar de bruiloft plaatsvindt in de film. Een aardige klim, die te voet moet want gemotoriseerd verkeer is in dit deel van het dorp ten strengste verboden.

 

De zon is inmiddels achter de bergen weggezakt, het is tijd om terug te gaan naar Taormina, want het grote flaneren op de Corso Umberto is begonnen. Eindeloos heen en weer slenteren in je mooiste kleren en kijken of anderen je wel zien.

 

Een heerlijk schouwspel om vanachter een cocktail op het terras van het hippe jazzcafé Re di Bastoni te bekijken tot diep in de nacht.

Salone del Mobile Milaan

Ooit in 1961 door lokale meubelmakers opgezet als een manier om de export te bevorderen is de Salone del Mobile in bijna zestig jaar uitgegroeid tot de grootste en belangrijkste meubelbeurs ter wereld. Het immense beursgebouw in Rho, net buiten Milaan, is niet meer groot genoeg om de tienduizenden ontwerpers te herbergen. Meer dan de helft van de designers showen hun creaties in de stad zelf en een groot deel daarvan komt uit Nederland.

Helaas kon Azzurro Magazine er dit jaar niet bij zijn, maar vorig jaar waren we er wel!

Hieronder een impressie.

 

L’Aquila tien jaar later

Deze week is het alweer tien jaar geleden dat de midden-Italiaanse stad L’Aquila werd getroffen door een verwoestende aardbeving. 309 Mensen kwamen om het leven, 1500 mensen raakten gewond en ruim 60 duizend mensen raakten hun huis kwijt. Een klap die de stad ook na tien jaar nog niet boven is.

 

‘Terremoto! Terremoto!’, hoor ik in mijn halfslaap. Als ik mijn ogen open doe kijk ik in het verschrikte gezicht van mijn vriendin. Het is half vier en ik knipper naar het licht. De lamp aan het plafond schudt vervaarlijk heen en weer. ‘Terremoto!’, roept mijn vriendin weer. Ik voel niks en wil gewoon verder slapen. ‘Niks aan de hand,’ mompel ik nog. Om half zeven schrik ik wakker van de telefoon. ‘Giel Beelen’, zie ik in mijn scherm. ‘Dan was het toch heftiger dan ik dacht’, schiet er door mijn hoofd en neem de telefoon op. ‘Goedemorgen, Giel. Ja hoor, tuurlijk wil ik zo in de uitzending.’ Ik loop naar de de woonkamer, zet de televisie aan en realiseer me dat er zich die nacht een ramp heeft voltrokken. Beelden van ingestorte huizen en mensen die gewikkeld in dekens door de van de stof mistige straten van een verwoeste stad lopen. Op 3FM vertel ik aan Nederlandse luisteraars dat ik die nacht, op zo’n 100 kilometer van het epicentrum, lag te schudden in mijn bed. Dat er, waarschijnlijk, doden te betreuren te zijn en dat ik later die dag af zal reizen naar de rampplek. Er zullen nog veel live telefoontjes volgen. In de uren daarna maak ik afspraken met verschillende opdrachtgevers hoe hen te bedienen. Ik ga voor EenVandaag beelden maken, voor de Wereldomroep live bijdragen verzorgen en met Andrea Vreede voor de NOS reportages maken.

Ik pak mijn cameratas, mijn statief en wat proviand, want het is maar de vraag of ik in L’Aquila zal kunnen eten. Onderweg lijkt het allemaal wel meevallen, tot tien kilometer voor L’Aquila is er niets te zien. Dan ineens moet ik, verplicht, van de autostrada af en rijd over de provinciale weg langzaam het aardbevingsgebied binnen. De eerste scheuren in de muren maken indruk, maar zijn niets vergeleken bij wat me te wachten staat. Intussen verhaalt de radio al over meer dan honderd doden. Als ik L’Aquila binnen rijd valt me vooral de enorme stofwolk op die boven de stad hangt. Ambulances, politiewagens en legervoertuigen rijden af en aan. Toch is er weinig controle, ik parkeer hartje centrum. Op nog geen honderd meter van ‘la casa dello studente’, de plek die later het symbool zal worden van de aardbeving. Acht studenten komen om als blijkt dat het pand waarin ze wonen niet gebouwd is volgens de regels en instort. Op het moment dat ik mijn auto parkeer wordt er nog verbeten naar de studenten gezocht.
Gewapend met mijn camera loop ik de binnenstad in. Een half ingestorte kerk, weggeslagen buitenmuren en daartussen verdwaasde mensen die vol ongeloof naar hun huis staren. ‘Gelukkig hebben we elkaar nog,’ een oudere man houdt de hand van zijn vrouw vast. In de garage onder zijn zwaar beschadigde huis staat een gloednieuwe Alfa Romeo, waarschijnlijk zijn laatste auto, gekocht na zijn pensioen. De garagedeur staat half open omdat de zijmuren naar binnen gevallen zijn. De Alfa zal de garage nooit meer kunnen verlaten.
Ik werk hard door om alles op tijd in Hilversum te krijgen, zonder te beseffen wat ik eigenlijk zie. Na drie dagen ellende, te weinig slaap en een heftige naschok, ben ik weer thuis.

 

Dit is wat ik aantref toen ik tien jaar geleden L’Aquila binnenreed.

Eigen oogst eerst

‘De wijn is dit jaar erg lekker geworden,’ mijn schoonvader kijkt me glunderend aan van boven zijn bord pasta. Hij spoelt zijn laatste hap weg met de Ripasso die ik voor de feestdagen in huis heb gehaald.

‘Ja, heel erg lekker,’ valt mijn schoonmoeder hem bij. Mijn schoonmoeder drinkt nauwelijks, maar weet wel wat lekkere wijn is; die van haar man. De Ripasso, of Brunello of Amarone, is niet aan haar besteed, dat is supermarktwijn met allerlei chemische toevoegingen. Puur natuur, dat moet het zijn. Dat die excellente Italiaanse wijnen al jaren de toon zetten in de Wine Spectator, het belangrijkste wijnblad ter wereld, doet er niet toe. ‘Dat zijn Amerikanen, die hebben geen verstand van wijn,’ weet mijn schoonmoeder. De lekkerste wijn ter wereld is de wijn die mijn schoonvader maakt van de Nero d’Avola druiven die op zijn eigen stukje land op Sicilië groeien en die hij samen met een vriend verwerkt. Geen discussie over mogelijk.

 

Zoals ze wel vaker doen hadden mijn schoonouders een paar dagen voor hun vertrek naar Rome een doos met tien liter olijfolie (‘van een vriend’), twee kilo sinaasappels (‘uit de moestuin’) en drie liter wijn naar ons toegestuurd. De koerier had het pakket keurig bij de voordeur van onze flat afgeleverd en ik me een hernia gezeuld naar de vierde verdieping. Mijn schoonouders zijn, zoals bijna alle Italianen, gefixeerd op eten en drinken en, vooral, op éérlijk eten en drinken. ‘Genuina’ is het toverwoord. Groenten en fruit uit de eigen moestuin zijn per definitie beter dan als ze op de buurtmarkt of in de supermarkt zijn gekocht. Dat geldt dus ook voor wijn.

 

Mijn schoonvader pakt één van de twee plastic flessen van het aanrecht. ‘Je moet straks de wijn even in een glazen fles doen, anders dan gaat de wijn naar plastic smaken,’ en zet hem voor mijn neus. De kleur is donkerrood, zoals ik zijn wijnen gewend ben. Nero d’avola en veel Siciliaanse zon. Enigszins aarzelend draai ik de dop van de fles, ik heb de laatste jaren heel regelmatig zijn zelfgestookte bocht gedronken en meestal bekwam me dat slecht. Te zwaar, te donker, te weinig geraffineerd en nooit hetzelfde.

Een walm van alcohol komt me tegemoet. Geen uitgebreid bouquet, geen vanille, rood fruit of hout, maar de geur van ‘vino di casa’, van gefermenteerd druivensap. Mijn schoonvader heeft intussen zijn mes en vork neergelegd en kijkt me onderzoekend aan. Ik zeg niks.

Voorzichtig schenk ik de wijn, ZIJN wijn, in een glas en neem een slok.

‘Hoeveel procent is dit?’, vraag ik met tranen in de ogen. De wijn brandt bijna een gat in mijn slokdarm.

‘Geen idee, 14 of 15 of zo. En?’

‘Lekker’, hoest ik.

‘Zie je wel,’ glundert mijn schoonvader. ‘Ik zei toch dat hij erg lekker was dit jaar.’

 

Hoewel erg zwaar, het was een lange zonovergoten droge zomer op Sicilië, moet ik toegeven dat dit één van zijn beste pogingen is. Deze is te drinken.

 

 

 

 

Disneyland for foodies

 FICO Eataly World in Bologna

Honderdduizend vierkante meter voedselhemel, een themapark waar alles om voedsel draait, dat had Oscar Farinetti voor ogen toen hij eind november de deuren opende van FICO Eataly World aan de rand van de Italiaanse stad Bologna. FICO staat voor Fabbrica Italiana Contadina, Italiaanse boeren fabriek, en heeft als motto ‘From field to fork’. Farinetti, oprichter van de ‘slowfood’ supermarktenketen Eataly vond dat hij moest uitleggen waar al die Italiaanse lekkernijen vandaan komen, een grote hal waar je al die producten kan kopen en waar je ze in verschillende restaurants op kan eten, is in zijn ogen niet meer genoeg. Voedsel moet je beleven, je moet begrijpen dat tortellini niet zomaar in een pakje zitten, dat voor mozzarella buffels nodig zijn en dat je om je pasta te kunnen bestrooien met truffel, een hond die paddenstoelen eerst uit de grond moet halen. 

 

Een speciale buslijn brengt je in 20 minuten van het stadscentrum van Bologna rechtstreeks naar FICO op een industrieterrein aan de noordoost kant van de stad. De entree is indrukwekkend, maar tegelijkertijd sober: een simpele lichtgrijze zuil met de naam van het park en erachter een hele reeks aan paviljoens waarin zich een wereld schuil houdt. Gratis toegankelijk en gebouwd volgens de laatste duurzaamheidsprincipes; op het dak liggen 45 duizend zonnepanelen, zo groot als 14 voetbalvelden. Het complex was ooit bedoeld als markt, maar is in de loop der jaren in onbruik geraakt. Om het verval tegen te gaan besloot de gemeente Bologna het geheel toe te vertrouwen aan FICO Eataly World. Architect Thomas Bartoli gebruikte alleen natuurlijke materialen, zoals hout, en bouwde op de aanwezige structuur. ‘We hebben geen vierkante meter cement toegevoegd, sterker nog: we hebben parkeerplaatsen weggehaald om plek te creëren voor het verbouwen van gewassen.’

 

In totaal meet FICO tien hectare, waarvan acht overdekt, zijn er 150 bedrijven bij betrokken die werk bieden aan 700 mensen en er zijn 40 ‘fabbriche’, bedrijven die in FICO hun producten maken. Bierbrouwer Baladin heeft er een kleine brouwerij, kaasmaker Granarola produceert mozzarella en Venchi chocola. Verder lopen er zo’n 200 stuks vee rond en wordt er groente en fruit verbouwd op het terrein. En natuurlijk kun je er eten, er zijn 47 restaurants in FICO Eataly, van visrestaurants en pizzeria’s tot een Siciliaanse pasticceria.

 

 

 

FICO’s toverwoord is bio-diversiteit. Italië heeft de rijkste verscheidenheid aan groente- en fruitsoorten en dierenrassen van Europa en dat feit word je overal in het immense complex onder de neus gewreven. De hoofdingang wordt omzoomd door de ‘appelmuur’, alle duizend Italiaanse appelsoorten zijn er uitgestald, met erboven de tekst: ‘Europa kent 1200 appelsoorten, 1000 daarvan groeien in Italië en de andere 200 in de rest van Europa.’

‘Die enorme biodiversiteit hangt samen met de verscheidenheid aan klimaten en microklimaten die Italië kent,’ legt Sandro Bargellesi uit. Bargellesi beheert de tuinen van FICO, nu staan er in de ‘orto’, verschillende soorten tomaten, drie rassen paprika’s, uitgegroeide komkommers, een lange lichtgroene courgettevariant en watermeloenen.

’Italië bestaat grofweg uit drie delen: het koele en vochtige noorden, het droge, warme zuiden en het centrum dat er ergens tussenin zit. Maar van bijna elk gebied ligt deel aan zee, een deel op een heuvel en elk gebied kent bergachtige gebieden. Dat levert allemaal microklimaten en dus unieke producten op.’ Ook de late eenwording van Italië en de sterke hang naar lokale tradities maakt dat de verscheidenheid zo groot is in het land. De gevulde pasta is in Bologna net weer even anders dan in het 300 kilometer noordelijkere Bergamo of zelfs in buurstad Modena.

 

Het doet wat geforceerd aan, een uit de kluiten gewassen moestuin ingeperst tussen de enorme hal en de parkeerplaats, maar het heeft vooral een edu

catieve functie legt Sandro uit. ‘Veel kinderen zien voor het eerst een tomaat aan een plant hangen, dit is een manier om mensen, en dan met name jonge mensen, kennis te laten maken met landbouw en tuinbouw. De kennis van waar voedsel vandaan komt is drastisch afgenomen, ook

in Italië.’

Educatie, het tweede toverwoord van FICO Eataly World. Het bedrijf heeft het doel de bezoekers dingen bij te brengen. Naast de fabbriche waar de bezoeker kan zien hoe mortadella of Grana Padano gemaakt wordt en de restaurants waar je een

cursus pizza maken of tortellini vouwen kunt volgen staan er in het pand zes verschillende multimediale carroussels; de mens en het vuur, de mens en de aarde, van de aarde naar de fles, de mens en de zee, de mens en de dieren en de mens en de toekomst.

In flitsend gemaakte videovoorstellingen en interactieve computeranimaties steek je wat op over de ontdekking van het vuur of over de toekomst van de land- en tuinbouw, die volgens FICO vooral ligt in hydrocultuur. In de ‘de mens en de toekomst’ carroussel, kan de bezoeker zijn eigen plantje kweken en de voortgang via een webcam en een app thuis vanaf de bank volgen. Leuk en leerzaam, maar overdadig gesponsord door Lamborghini, ja de sportwagenfabrikant die, toevallig, uit de regio komt. En dat is een beetje het probleem met FICO Eataly World: de massieve aanwezigheid van sponsors en grote merken.

‘SfoGliamo is een startup, werpt Daniela Mastrolilli die de rondleidingen verzorgt, tegen. Maar behalve het kleine pastabedrijf wordt het Disneyland voor foodies gedomineerd door de grote namen; Parmigiano Reggiano, koffiebrander Lavazza, de grote kaasfabrikant Granarolo, de in Italië zeer bekende pizzeria keten Rossopomodoro, allemaal zijn ze er. Het zet het educatieve deel van de FICO beleving in de schaduw van de commercie. Mijnheer Farinetti is er vooral op uit veel geld te verdienen en daar zijn de prijzen ook naar. Want hoewel de toegang gratis is, zijn de hapjes en de drankjes redelijk duur. Waarschijnlijk de reden dat het park nog niet het succes is waar ze in Bologna op gehoopt hadden. Het eerste half jaar hebben 1,5 miljoen bezoekers de weg naar FICO weten te vinden, dat is een stuk minder dan de 6 miljoen waar ze bij de opening op rekenden.

En toch hebben die 1,5 miljoen mensen gelijk: een bezoek aan FICO Eataly World is zeer de moeite waard, het concept van veld tot vork is leuk, leerzaam en, vooral, lekker. Het gaat uiteindelijk vooral om eten, het educatieve aspect is slechts bijzaak. En dat is prima, want de Italiaanse keuken is nu eenmaal uitgebreid, kleurrijk en bijzonder.

 

Maar bezoek FICO vooral als u in de buurt bent, persoonlijk zou ik er niet voor omrijden.